Meertens Instituut: Historie, Hazes en hiphop

Sinds kort is onze buurt een gerenommeerde instelling rijker, gevestigd in het oude hoofdbureau van politie op de Oudezijds Achterburgwal 185. Het is het Meertens Instituut, dat onderzoek doet naar de Nederlandse taal en cultuur.

In de brede entreehal staat het bureau van de grondlegger: Piet Meertens. Het is een enorme kolos met veel laden en laatjes. Op het schrijfblad staat een typemachine met een dubbel toetsenbord. Het ene toetsenbord is voor normale typeletters, het andere voor een fonologisch alfabet waarop tekens staan voor klanken die nu niet meer voorkomen in het Nederlands.
Op het bureau staan oude bordjes die aangeven wat het instituut in die dagen behelsde. We lezen: ‘Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigene’; ‘Dialectbureau’; ‘Volkskundebureau’; en ‘Naamkundebureau’.
‘Dat laatste maakt die geen onderdeel meer uit van het Meertens Instituut. De rest is nog wel van toepassing’, vertelt Meertens-medewerkster Simone Wolff. Lachend voegt ze eraan toe: ‘Alleen noemen wij dat tegenwoordig toch beslist anders. Een term als volkseigene is vandaag de dag veel te besmet. Nu spreken we over het bestuderen en documenteren van de Nederlandse taal en cultuur, waarbij alledaagse verschijnselen centraal staan.’

Coca Cola
Het ruikt nog naar verse verf in het nieuwe onderkomen van het instituut dat tot voor kort was gevestigd in de oude Coca Colafabriek op een industrieterrein aan de Amstel.
Irene Stengs, eveneens medewerkster van het Meertens Instituut, is blij met de verhuizing. ‘We zaten in een nogal van de buitenwereld afgekeerd gebouw met veel heel kleine raampjes. Niet echt een plek voor een instituut als dit. Dat is één van de redenen waarom we naar de Oudezijds Achterburgwal zijn verhuisd. Hier zitten we midden tussen allerlei andere sociaal-wetenschappelijke onderwijs- en onderzoeksinstellingen.’
Ook Wolff ziet veel voordelen aan het nieuwe onderkomen: ‘We zijn makkelijker bereikbaar, kunnen eenvoudiger bij collega-instellingen langs.’ Lachend: ‘En deze buurt is veel gezelliger, natuurlijk.’
‘Ook zoiets als een overleg met het Amsterdam Museum, over een eventuele tentoonstelling over Amsterdamse hiphopcultuur waar hier onderzoek naar wordt gedaan, is een stuk eenvoudiger nu iedereen op een steenworp afstand zit’, zegt Stengs. ‘Het eerste congres in de buurt hebben we ook al gehad. Dat is onlangs gehouden in de Waalse Kerk. Het onderwerp: The secular sacred. Oftewel: hoe men aan de seculiere natie tegenwoordig welhaast een religieuze betekenis toekent, en hoe discussies over religie daarbij een belangrijke rol spelen. Toepasselijker kan het niet, in een kerk.’

Zwarte Piet
Het Meertens Instituut richt zich op de Nederlandse taal en cultuur, maar vergelijkt ook met ontwikkelingen die plaatsvinden in de ons omringende landen.
Daarmee staat het instituut midden in het huidige verhitte politieke debat over zaken als nationale identiteit en bedreiging van het eigen erfgoed. Stengs: ‘Daar hoort ook de discussie over Zwarte Piet bij. Voor de goede orde: die discussie is echt niet gisteren gestart zoals veel mensen denken, maar is al heel wat langer gaande. Net als in Nederland zie je ook in Duitsland en Frankrijk vormen van opkomend nationalisme. De processen zijn vaak vergelijkbaar met die in ons land, maar de vorm verschilt. In Frankrijk kennen ze Zwarte Piet niet. Wel heeft dat land, net als Nederland, een koloniale geschiedenis. Daar richt de discussie zich meer op wat écht Frans is. Maar de basisvragen zijn dezelfde: waarom neemt het nationalisme toe? En waarom is die discussie zo emotioneel?’
Niet alle onderwerpen die het Meertens Instituut onderzoekt hebben zo’n expliciete politieke lading. Stengs: ‘Een van mijn onderwerpen was het fenomeen André Hazes. Wie houdt er van zijn muziek en wat heeft Hazes betekend voor zijn fans?’
Ook andere thema’s op het snijvlak van cultuur en taal zijn onderwerp van onderzoek, zoals het verband tussen dialect en etniciteit. Stengs: ‘We onderzoeken de relatie tussen de standaardtaal en dialect. In grote delen van Nederland wordt het dialect stiefmoederlijk behandeld. Limburgers die zich vestigen in het westen van Nederland doen vaak hun uiterste best om hun zachte g te onderdrukken. Maar in Limburg zelf heeft het eigen dialect dezelfde status als het Standaard Nederlands in de Randstad. Daar kun je ook met de dokter in dialect communiceren.’
Stengs onderzoekt momenteel hoe cultureel erfgoed sacraal wordt. ‘Neem zoiets als de Passion op televisie. Terwijl de kerken leeglopen, nemen ongelovigen daaraan deel of kijken ze naar het tv-spektakel.’ Andere onderzoeken op het Meertens Instituut richten zich op bedevaartsplaatsen in Nederland, het Wilhelmus en herdenkingsrituelen.
Het instituut krijgt geld van het ministerie van Onderwijs en van non-profit-organisaties voor bijvoorbeeld specifieke onderzoeken. Er zijn geen banden met het bedrijfsleven. Er werken tussen de zestig en zeventig mensen, uiteenlopend van taalkundigen, historici, musicologen en antropologen. ‘Een echt interdisciplinaire club dus’, zegt Stengs.

Mieters
In de zevendelige romancyclus Het Bureau, van de voormalige medewerker J.J. Voskuil, staat de dagelijkse gang van zaken op het Meertens Instituut minutieus beschreven. De hoofdpersonen, die regelmatig hun genoegen over allerlei dingen uitspreken met het legendarische woord Mieters!, zijn gebaseerd op echte medewerkers. De vraag of men het huidige Meertens Instituut nog altijd associeert met Het Bureau van Voskuil is dus onvermijdelijk.
Steng: ‘Niemand onder de veertig associeert Het Bureau nog met het Meertens Instituut van vandaag. Voskuil werkte hier tot 1986. Het Bureau was zo’n groot succes omdat het heel scherp de Nederlandse kantoorcultuur blootlegde, en veel mensen dit herkenden. Dat het zelfs bestond op een ogenschijnlijk zo onschuldig instituut.’
Het Meertens Instituut doet niet alleen onderzoek. Ook wordt van het alledaagse leven van alles en nog wat gedocumenteerd en gearchiveerd, zoals muziek en verhalen. En er is een audiobank voor gesproken dialecten. Bij elkaar heeft het instituut zo’n zeven kilometer archiefmateriaal.
Eén onderdeel van het instituut is het Dagboekarchief. Iedereen die ooit een dagboek of andere ego-documenten heeft geschreven, kan ze hier inleveren. Deze documenten geven een unieke, persoonlijke inkijk in de Nederlandse taal en cultuur. Zo is er het dagboek van een fabrieksarbeider die de eerste vrije zaterdag memoreert, op 3 september 1960. Maar er zijn ook persoonlijke stukken van een aannemer die leefde van 1838 tot 1927, die veel treinstations heeft gebouwd en in Amsterdam zijn sporen heeft nagelaten.
Al deze persoonlijke documenten schetsen een beeld van het maatschappelijk leven en hoe bepaalde zaken werden ervaren of gedaan. De dagboeken worden via een trefwoordenregister toegankelijk gemaakt voor onderzoek. Dat is een enorme klus, waaraan veel vrijwilligers meewerken.

Geen reactie

Laat een bericht achter

E-mailadressen worden niet gepubliceerd.

VOLG ONS OP