Domweg (on)gelukkig op de Wallen

Er hebben altijd schrijvers gewoond in onze buurt. Voor langere of kortere tijd. Soms met plezier en soms ook niet.

‘Daar lagen gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er had nog duidelijk opgestaan: “nach Amsterdam”. En op tijd was de trein gekomen en had ’m over de rails naar huis gereden. En toen-i aan ’t Centraalstation was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven, een dure, en even de locomotief met z’n hand aangeraakt en gedacht: “aai locomotief”.’
Zo was hij in Amsterdam aangekomen, ongetwijfeld de meest literaire stad van Nederland. Nergens anders hebben zich zoveel schrijvers gevestigd als juist hier. Nee, de maker van bovenstaande prachtzinnen woonde niet bij ons in de buurt. Maar als er één buurt is waar veel schrijvers wonen en hebben gewoond is het d’oude binnenstad.
En soms schreven ze niet eens over die ouwe (binnen)stad aan de Amstel, maar bijvoorbeeld over een… eh… een beer. ‘Er was eens een beer die in een bos leefde. Het was een lieve lobbes, een echte bereloris. Zijn snuit glom als een kers. Met zijn klauwen vormde hij een hek waarmee hij de deining van zijn buik beschutte; hij gebruikte ze nooit om te klauwen, alleen om zich te krabben.’
De man die zulke schone zinnen schreef wordt een ‘Marokkaans-Nederlandse’ schrijver genoemd. Ten onrechte volgens de auteur zelf, die tot voor kort in de Wijde Kerksteeg woonde, want op een muil en een klomp, dat ‘loopt verdomd moeilijk’. En dat deed hij dan ook niet, zoals iedereen kon constateren die hem tegenkwam in de buurt

Gauwdieven
Natuurlijk kunnen we niet om hem heen, hoewel vrijwel iedereen aan z’n beeldje voorbijloopt zonder het een blik waardig te gunnen. Sterker: de meesten zien het niet eens. Het is ook een beeldje van niks en het hangt te hoog aan de muur, maar het is er echt. Op de Warmoesstraat. Of hij daar ook echt woonde, zoals het onderschrift meldt? Het vreemde is dat er in diezelfde Warmoesstraat, maar zeker 150 meter daarvandaan, een bordje aan de gevel is geschroefd met daarop eveneens zijn naam. Woonde de man die een kousenzaak overnam van zijn vader, die weer vakkundig om zeep werd geholpen door de zoon van de dichter waardoor hij op z’n oude dag moest gaan werken op de Stadsbank van Lening, dan hier?
Hoewel hij niet in Amsterdam was geboren maar in het verre Keulen, vond hij de stad fantastisch en dichtte hij in 1631: ‘Aan d’Amstel en aan t’Y, daar doet zich heerlijk open/ Zij die als Keizerin, de kroon draagt van Europe/ Amstelredam, die ’t hoofd verheft aan ’s hemels as.
Meer nog dan voor deze dichter vormden de Wallen het decor voor de vertellingen van een andere literaire bewoner en grootheid uit de Gouden Eeuw. Ter ere van zijn vierhonderdste geboortedag werd in maart 1985 een deel van de Burgwallen en de Nes omgetoverd in een stukje zeventiende-eeuws Amsterdam. Zijn toneelstukken die toen werden opgevoerd, ademen nog altijd de sfeer van de Wallen met z’n geile knechten, gauwdieven, hoertjes en vrolijke drinkebroers.

Kwartaaldrinkers
Er is nog altijd een plaquette te vinden op de hoek van de Nes en de Sint Pieterspoortsteeg van het huis waar hij in 1585 werd geboren. Later verhuisde hij naar de Oudezijds Voorburgwal 244, bij de Damstraat. De man die de ‘Zuyderkerck een treffelijk werck’ noemde, bracht in een van zijn geschriften een bezoek aan de Grote Vleeshal waar anno 2018 Hudson’s Bay is gevestigd. ‘Ick heb nog Kallef-vleys, Runt-vleys, Were-vleys, Schape-vleys’, laat hij een verkoper roepen.
De twee hiervoor geciteerde schrijvers woonden hun leven lang in deze buurt; anderen waren niet meer dan vluchtige passanten. Zoals de man die in 1951 in Eindhoven werd geboren en die, in één van zijn boeken, ‘advocaat’ en ‘kwartaaldrinker’ Ernst Quispel het café ‘De Engelandvaarder’ laat bezoeken en schreef: ‘Daar lag de Kloov. Er waren lange dienstjaren voor nodig, belangrijke wapenfeiten, om de Kloveniersburgwal De Kloov te mogen noemen.’ Hij woonde korte tijd op Kloveniersburgwal nummer 65 voordat hij definitief (?) naar Amsterdam-Zuid vertrok.
Een andere voorbijganger woonde zo ongeveer overal in Amsterdam behalve op de Wallen. Ze werkte er echter wel: als loopmeisje voor een apotheek op de Zeedijk, waarschijnlijk die van Brandts, gevestigd op nummer 134. Haar vader kon hier aan de slag als koetsier en liet toen zijn gezin overkomen uit het zuiden van Nederland. Ze schreef: ‘Zo kwamen we klappertandend en bleek van kou en honger, door de Amstel Amsterdam binnenvaren.’

Uitgewoond
Weer een andere passant had ook geen al te vrolijke inborst. Toen hij nog maar zeventien was dichtte hij: ‘Ik voel mij hopeloos verlaten/ en in de schemerige straten/ schommelt de sneeuw omlaag.’ Hij woonde, zo ongeveer driekwart eeuw later dan het loopmeisje van de apotheek, op de Oudezijds Achterburgwal nummer 55. En hoewel in deze stad geboren, had hij er niet veel mee op. ‘Ik haat Amsterdam’, schreef hij aan zijn pennenvriend die in Den Haag ter wereld was gekomen, maar die misschien wel de aller-Amsterdamse schrijver ooit werd.
Over zijn woning aan de Oudezijds schreef hij: ‘Het was een krot, totaal vernield, uitgewoond en leeg gesloopt toen het, na jaren van kruipen, smeken, kronkelen en zich voor de socialistische loketten vernederen, mij als woonruimte was toegewezen, en elke poging tot verbetering door herstel of verbouwing was weggegooid geld en nutteloze moeite.’
Ondanks zijn haat tegen Amsterdam en het feit dat hij hier maar een paar jaar woonde, sloot hij een innige vriendschap met de dokter aan het Oudekerksplein, een dokter die zonder dat hij het zelf wilde toegeven ook best literaire ambities had en die dichtte over ‘het hoertje in vervuilde sloppen’, die haar laatste klant verstoot, ‘en zoekt het bed van ’t eigen zaad.’ Nee, ook beslist geen vrolijke klant.
Over zijn woning aan de Oudezijds schreef hij: ‘Het was een krot, totaal vernield, uitgewoond en leeg gesloopt toen het, na jaren van kruipen, smeken, kronkelen en zich voor de socialistische loketten vernederen, mij als woonruimte was toegewezen, en elke poging tot verbetering door herstel of verbouwing was weggegooid geld en nutteloze moeite.’
Ondanks zijn haat tegen Amsterdam en het feit dat hij hier maar een paar jaar woonde, sloot hij een innige vriendschap met de dokter aan het Oudekerksplein, een dokter die zonder dat hij het zelf wilde toegeven ook best literaire ambities had en die dichtte over ‘het hoertje in vervuilde sloppen’, die haar laatste klant verstoot, ‘en zoekt het bed van ’t eigen zaad.’ Nee, ook beslist geen vrolijke klant.

Ziel
Ach, het waren er zo veel die hier woonden, werkten of studeerden. Kees van Beijnum, die ongeveer onder het biljart van het café in de Warmoesstraat opgroeide. Lucebert, die onlangs zo hard van zijn voetstuk viel. Jan Jacob Slauerhoff en Simon Vestdijk, die studeerden bij Arnold Aletrino in het Binnengasthuis. Eduard Douwes Dekker, die de lagere school bezocht op de Fluweelen Burgwal en die later gaarne op stand logeerde in het Bible Hotel aan de Warmoesstraat, maar die de stad wel ‘benauwd en morsig’ vond. En Margo Minco, die op de Kloveniersburgwal 49 zat, haar ‘laatste onderduikadres’.
En.
Vooruit, nog twee dan. In 1901 keek hij uit zijn zolderraam aan ’t Water, dat later werd omgedoopt tot Damrak, en schreef in zijn boek Toen ik nog jong was: ‘Zoolang ik mij herinneren kan, was de Oudekerkstoren een voorwerp van mijn innigste bewondering.’
Natuurlijk beklom hij de toren toen hij nog een kind was. ‘Voor mij had de toren in die tijd een ziel – ik beschouwde hem als een wezen en in mijn verbeelding zag ik hem dan groter en groter worden. Ik geloofde soms dat hij alles zien kon wat in de stad voorviel.’ Toen hij veertig was beklom hij de toren nog eens, maar het viel hem tegen omdat Amsterdam ‘een wereldstad’ was geworden.
Die wereldstad is onze prachtstad, waar de aller-Amsterdamse schrijver die nooit in de buurt woonde altijd over schreef en wiens spreuk is te vinden op de brug naar het Oosterdokseiland: ‘Amsterdam is een heerlijke stad/ om te verlaten en ààn te komen.’
En zo is het maar net. Want ‘Goddank’ zijn wij net als Japi en Bavink Amsterdammer.

Geen reactie

Laat een bericht achter

E-mailadressen worden niet gepubliceerd.

VOLG ONS OP