Kerkgangers Oude Kerk in de verdrukking

Zandzakken, loopgraven en duisternis heersen tot eind april in de Oude Kerk. Vanwege het kunstproject Poems for Earthlings van de Argentijnse kunstenaar Adrián Villar Rojas is het oudste en lichtste monument van Amsterdam herschapen in het dal van de schaduwen des doods, een permanente Götterdämmerung waar uit de diepten de ijle stemmen van wanhopigen opklinken.

Maar niet alleen in het kerkgebouw zijn loopgraven opgetrokken. Ook binnen de protestantse gemeente die er elke zondag dienst en vespers houdt, nemen de spanningen toe. De verhouding met de Stichting De Oude Kerk, die sinds het aantreden van directeur Jacqueline Grandjean in 2012 een reeks gigantische en omstreden kunstprojecten in de kerk organiseerde, is nu zo verzuurd dat een proces van ‘mediation’ is gestart.
Ook onder de kerkbezoekers borrelt het. Op de blog van de Oude Kerkgemeente wordt de vraag gesteld: Hoe kunnen we in deze omstandigheden nog als gemeente functioneren?
Antwoord: ‘Voor sommigen houdt het echt op, anderen zien het gelaten over zich heen komen.’

Ruziemaken ligt niet zo in de aard van de gemeenteleden, weet Guido Hoogewoud. ‘Aanpassen is voor hen een keuze, ook al staat het water hen aan de lippen.’
Hoogewoud groeide ongeveer op in de kerk, zijn vader was er organist: ‘’s Zondags had ik de keuze tussen met mama beneden zitten en met papa boven bij het orgel registers opentrekken en me onttrekken aan de preek.’ Vandaaraf zag hij dan hoe de dominee, voorafgegaan door de koster en de diakenen, naar de preekstoel schreed.
‘In de kerkbanken was de hele oude binnenstad zichtbaar. Onder het grote orgel zaten in hun matrozenpakjes de jongens van het opleidingsschip Pollux. Onder begeleiding van hun commandeur waren ze in marstempo de kerk binnengekomen. Op de eerste rij voor de preekstoel had je roddelende oude vrouwtjes van het bejaardenhuis op de Binnenkant. En in de ouderlingenbanken de directeuren van de expeditiefirma’s van de Nieuwezijds en de walkapitein van Rederij Goedkoop.’
Maar de ‘hoogmogenden van de Hervormde Kerk’ woonden toen al niet meer in de binnenstad, zegt Hoogewoud. Die waren vertrokken naar het sjieke Zuid, als onderdeel van een proces van binnenstadsvlucht’. Vandaar ook, denkt hij, dat de kerk in 1955 zomaar in eigendom werd overgedragen aan de Stichting De Oude Kerk.
Daarmee begon het verslappen van de banden met de kerkgemeente en de bewoners van de binnenstad. Het stichtingsbestuur, dat een eigen benoemingsbeleid voert, bestaat niet uit mensen die binding hebben met het kerkgebeuren maar voornamelijk uit mensen die daar ver vanaf staan.
In 2017 was Hoogewoud deurwacht bij het thema ‘Open Deur’. Tijdens de kerkdiensten stonden de deuren open, mensen konden binnenlopen en plaatsnemen in de grote banken onder het orgel, die inmiddels zijn verwijderd. Het viel hem op dat bezoekers dolblij waren om de stilte en rust van de kerk met gezang en orgel te ondergaan, maar dat ging zo maar niet: ‘Van de Stichting moest precies worden bijgehouden hoeveel mensen er tijdens de diensten binnenkwamen. De Oude Kerkgemeente moest daarvoor dan extra betalen vanwege de mogelijk gemiste inkomsten van het museumbezoek.’

Zijn hele leven bleef Hoogewoud op de bres staan voor het Amsterdamse erfgoed, onder andere als adviseur van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg.
Nu zegt hij: ‘Sinds Grandjean directeur-bestuurder is, is de oudste kerk van Amsterdam voor het eerst onttrokken aan controle door de samenleving. Maar niemand die zei: kom op jongens, je kan wel bidden en zingen, maar je kan ook wel ’ns zeggen: dit is ons standpunt, tot hier en niet verder. Het is een soort burgemeester-in-oorlogstijd-houding. Ik begrijp niet waar die angst vandaan komt.’
Maar met de huidige expositie is voor een toenemend aantal gemeenteleden de maat vol: zij blijven niet meer zwijgen terwijl hun kerk onder hun voeten vandaan wordt getrokken. Een meisje, door de dominee naar voren gehaald tijdens de dienst, antwoordt op de vraag wat ze vindt van de nieuwe aankleding van de kerk zonder aarzelen: ‘Stom!’
Bij de koffie na afloop vinden heftige discussies plaats. ‘Ik vind in principe dat een gemeente nog op een mestvaalt moet kunnen kerken,’ zegt iemand, ‘maar niet als die bewust is gecreëerd.’ Een ander briest: ‘Ik weet niet of ik warm word van woede of van de kou!’
En ook de kunstenaar krijgt het voor zijn kiezen: ‘Dit werk is volstrekt destructief, volstrekt duister. Je hebt het over het gebouw, maar dit is onze gemeenschap, je hebt het niet over de mensen die je in deze situatie brengt.’

‘Dit is mijn club’ zegt Adriaan Deurloo, die sinds 1985 de diensten bezoekt. ‘Als ik in deze kerk om me heen kijk, dan voel ik me thuis.’ Ook hij kwam hier als kind al en herinnert zich stoelen tot ver buiten het schip. ‘Dat moeten diensten zijn geweest waar honderden mensen verschenen. Van alle rangen en standen’, herinnert hij zich. ‘Er kwamen ook mensen die een werkzaam leven hebben geleid dat begon toen ze van de lagere school af kwamen.’
Nu zijn er nog zo’n vijftig à zeventig kerkgangers. Een heel diverse gemeente, zegt Deurloo, met bijvoorbeeld veel homoseksuele leden maar ook een opvallende groep jonge gezinnen met veel kinderen. Voor hun diensten zijn zij verbannen naar de eveneens verduisterde Sebastiaanskapel.
‘We zijn vier maanden lang opgezadeld met een ruimte die niet zo is als hij behoort te zijn. Maar ik vrees dat mevrouw Grandjean niet openstaat voor dialoog omdat ze zo verbeten haar eigen ambitie najaagt die geen tegenstem kan velen.’
Yellie Alkema, gemeentelid sinds de jaren tachtig, trad onlangs gefrustreerd af als lid van de Raad van Toezicht van de Stichting. ‘Grandjean overvalt ons steeds met mededelingen en plannen die niet waren overlegd’, zegt zij. ‘Ik heb haar eerst de hand boven het hoofd gehouden omdat ze ook goede dingen deed. Maar bij de afspraken gebeurt het te vaak dat ze je voor het blok zet. Al zevenhonderd jaar wordt hier gebeden voor stad en land. Dat is iets wat je niet zomaar met zandzakken overboord kan gooien.’

Maar er blijft hoop gloren voor het clubje vasthoudende gemeentenaren in de Sebastiaanskapel. De dienst van een zondag in november besluiten zij met gezang 292, ‘Wegen Gods, hoe duister zijt gij’, met als laatste strofe:

Als de Here God in allen
en in allen alles is
zal het licht zijn, eeuwig licht zijn

licht uit licht en duisternis.

Geen reactie

U kunt geen reactie achterlaten

VOLG ONS OP