De Oudste Straat van de Stad

De vraag is, wat er overblijft

Op een mooie septemberdag arriveerde de beroemde schrijver K. in Amsterdam om de Warmoesstraat te bezoeken, de oudste straat van de stad. Zijn plan was geniaal in zijn eenvoud. K. zou een reis maken door alle landen van Europa, en in elk land zou hij de Oudste Straat van de Belangrijkste Stad bezoeken.

Hij zag de Oudste Straat als ooggetuige van de plaatselijke geschiedenis, vanaf de oorsprong tot nu. Dat zou pakkende verhalen opleveren. Bovendien kon je het boek prachtig illustreren. Het zou een bestseller worden, zeker nu mensen wereldwijd minder reizen. Zijn uitgever stemde toe, K. ging op weg en nu was hij in Amsterdam.

Toen K. de stationshal uitkwam en op het Stationsplein stond, knipperde hij even tegen het felle zonlicht. Hij zag hoe de stad zich voor hem uitstrekte. Hij wist dat Amsterdam rond 1250 was ontstaan als nederzetting aan de monding van een onbeduidend riviertje, de Amstel.
De Amstel was rond 1170 ontstaan door toedoen van ontzagwekkende stormen die kort daarvoor het gebied hadden geteisterd. Door al dat natuurgeweld werd een natuurlijke doorbraak geforceerd naar een binnenzee, die op zijn beurt toegang gaf tot de Noordzee. De vaarroute naar verre streken lag open. De doorbraak zorgde ervoor dat de plaatselijke moerassen werden gedraineerd. De omgeving werd droger en geschikt om te wonen en te werken. Toen de plaatselijke bewoners door middel van een dam de linker- en rechteroever van de rivier hadden verbonden, ging de ontwikkeling ineens snel.

Door zijn gunstige ligging werd het eerder onbeduidende gehucht Amestelledamme een belangrijk handelsknooppunt. De handel zorgde voor werkgelegenheid en voor inkomsten, en trok ondernemende mensen aan afkomstig uit alle windstreken. Handel was van meet af aan het fundament waarop Amsterdam kon groeien. Eerst als handelsstad, en in de eerste helft van de zeventiende eeuw zelfs tot een unieke, toonaangevende en misschien wel doorslaggevende metropool.
De stad was ook later zijn tijd vaak vooruit, bijvoorbeeld door de introductie van Volkshuisvesting, door soepel om te gaan met allerlei regelgeving op gebied van softdrugs, en door het eerste homohuwelijk ter wereld te sluiten. Amsterdam als haantje de voorste, en de Warmoesstraat als zijn eeuwige ooggetuige. Precies daarom was K. zo geïnteresseerd in die straat. Hoe ligt hij er nu bij. Hoe ziet hij eruit. Wat is er te zien en te beleven. Hoe is de sfeer, wat is de indruk die hij achterlaat, is het een straat die laat zien wat onze toekomst te bieden heeft.

K. had zin in de kennismaking met de Warmoesstraat en wandelde in zuidoostelijke richting, naar een gebouw waarop de tekst Jesus Loves You hem in blauwe neonletters geruststelde.
Met de goddelijke protectie zat het blijkbaar wel goed in Amsterdam. Onderweg dacht hij aan alles wat hij al wist over de Warmoesstraat, die was aangelegd op de dijk langs de linkeroever van de Amstel. De naam is afgeleid van warmoezerij, een oud woord voor de handel in groenten. Vanaf het begin was het dus een straat van handelaren.
Op nr. 90 bevindt zich het oudste huis van Amsterdam, een houten skelet uit de vijftiende eeuw, verborgen achter een gevel van later datum. De straat waar de herbergier Lubbert Nut, in de late vijftiende eeuw, op nr. 52 de herberg De Rode Helm uitbaatte. Nut kwam uit Bremen en had daar een enorm handelsnetwerk opgebouwd. Nut werd een van de rijkste inwoners van Amsterdam in de vroege zestiende eeuw en de Warmoesstraat was het commerciële hart van de stad.
Eind zestiende eeuw woonde en werkte op nr. 39 Joost van den Vondel. In 1613 erfde hij de Rechtvaardige Trou, de zijdewinkel van zijn ouders, die oorspronkelijk uit Keulen kwamen.
Ook immigranten dus. In de zeventiende eeuw veranderde de Warmoesstraat in een chique straat met dure woonhuizen en winkels.

Vanaf de twintigste eeuw holde de Warmoesstraat snel achteruit. Rond 1980 was de Warmoesstraat een van de beruchtste straten van Nederland, vooral als centrum van internationale drugshandel. Maar ook beroemd door de aanwezigheid van Bureau Warmoesstraat, dat gevestigd was op de nummers 44 tot 50. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren er trouwens ook allerlei aardige restaurants en winkels. Geels en Wijs bijvoorbeeld, klassieke koffie- en theewinkels, allebei met een schitterend interieur. Een fijne delicatessenzaak. Een paar uitstekende Spanjaarden, een Mexicaan, een fijne familie-Italiaan, ja zelfs een Peruaan. Heel divers, van alles wat.
Begin deze eeuw ondernam de overheid een poging om de ontwikkeling van de straat in een bepaalde richting te duwen: het moest een uitgaansstraat worden met een kinky accent. Er kwamen gay-bars, seksclubs en enkele mooie publiekstrekkers zoals Restaurant Anna en de Metropolitan Deli.
Tegelijkertijd werd een uitsterfbeleid voor coffeeshops geïntroduceerd, er was geen plaats meer voor stonede toeristen. Minder waterpijpen, mutsen met Amsterdam erop of megadildo’s.
Veelbelovend, dacht K.

Inmiddels had K. de kop van de Warmoesstraat bereikt en verwachtingsvol liep hij de straat in, notitieblok in de hand om te noteren wat hij zag. Tien minuten later stond hij beduusd op de Dam en keek ongelovig naar zijn aantekeningen. Op dit hele kleine stukje aarde turfde hij onder meer: negen wafel- en pannenkoekenzaken, twaalf hamburgertenten, vier pizzeria’s, twee snoepwinkels (snoepwinkels?), vijf coffeeshops, vijf snuisterijenwinkels en dertien sportcafés. Opgeteld vijftig (!) zaken die gericht zijn op … ja, op wie eigenlijk. Toeristen? Dat moet wel, want geen buurtbewoner zou ooit een voet zetten in een van die zaken.
Maar hoe overleven die zaken als er geen toeristen zijn, zoals nu? En als er wel toeristen zijn, hoe kun je dan zoveel snoep of goedkope pizza’s verkopen dat je de huur en je personeel kunt betalen? Is er echt zoveel behoefte aan hamburgers, pannenkoeken en wafels? En als dit is wat toeristen willen, waarom blijven ze dan niet thuis? Daar kun je dit ook allemaal kopen. Nou ja, afgezien van de wiet dan.
Waar zijn Anna, de Metropolitan Deli, Geels en Wijs en al die Peruaanse, Mexicaanse, Spaanse en Italiaanse restaurants eigenlijk gebleven? Was dit nu het resultaat van de beroemde Amsterdamse handels- en ondernemingsgeest? Is dit wat Amsterdam als progressieve handelsstad de wereld heeft te bieden? De vragen drongen zich vanzelf op en K. was even helemaal de kluts kwijt. En hij maakte zich zorgen over zijn boek. Als het in de Oudste Straten van Rome, Parijs, Antwerpen, en alle andere steden die hij nog wilde bezoeken ook zo zou zijn, dan werd het bepaald geen opgewekt boek. Niet iets waar de lezer in tijden van corona op zit te wachten.

K. moet plotseling denken aan een passage uit Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Tijdens een diner ontspint zich een gesprek tussen de hoofdpersoon en Patelski, een erudiete man die in het hotel een teruggetrokken bestaan leidt. De hoofdpersoon zegt: ‘De alomtegenwoordigheid van cafés en de rijkdom van onze formidabele culinaire tradities maken ons continent tot de ideale toeristische bestemming. Europa is het recreatiegebied voor de rest van de wereld.’ ‘De vraag is of dat erg is,’ zegt Patelski.
‘De vraag’, zei ik, ‘is of dat erg is.’

‘Pfeijffer ziet iets over het hoofd’, denkt K. ineens. ‘We knikkeren onze formidabele tradities, culinair of niet, zonder scrupules overboord. De vraag is, wat er dan overblijft. Niks, helemaal niks. Een lege huls, zonder betekenis. En dat is doodzonde.’

OLAV ULRICH
Foto: RENÉ LOUMAN

Geen reactie

U kunt geen reactie achterlaten

VOLG ONS OP