Thomas Rosenboom – DE GROTE RONDE

Thomas Rosenboom (64) heeft een geweldig oeuvre bij elkaar geschreven. Zijn romans Gewassen Vlees (1994) en Publieke Werken (1999) zijn onderscheiden met de Libris Literatuur Prijs. Rosenboom is de enige Nederlandse auteur die deze eer tweemaal te beurt is gevallen. Zijn werk is in vele talen vertaald en Publieke Werken werd in 2015 verfilmd. Zijn voorlopig laatste roman, De rode loper, is verschenen in 2012. 

Schrijven is een lichamelijke beproeving voor buurtbewoner Thomas Rosenboom. Daarom loopt hij, al 24 jaar lang, iedere dag dezelfde wandelroute om de Amsterdamse binnenstad heen, als een soort therapie voor geest en lichaam. Voorlopig komt er geen nieuwe roman. Misschien wel helemaal niet meer. Eigenlijk vindt hij het wel mooi zo. Toch heeft uitgeverij Van Oorschot hem kunnen overhalen om nog eenmaal de pen op papier te zetten voor een boekje in hun wandelreeks. Dat werd De grote ronde.

Sinds tweeënhalf jaar woont Rosenboom op de Oudezijds Voorburgwal, tegenover The Grand, met uitzicht op restaurant Bridges. Van achter het raam wijst hij op een vervallen zeilbootje: ‘Daar heeft het familiedrama zich afgespeeld … ja dat was verschrikkelijk joh!’
Dat familiedrama beschrijft hij minutieus en pijnlijk in zijn jongste, 74 pagina’s tellende werkje. Een onontkoombare tragedie van een familie meerkoeten, die in zijn grote romans niet zou misstaan.

Dapper
‘Het is een gevecht joh, je moet als meerkoet ten eerste een partner vinden en als je die dan hebt dan moet je ook nog woonruimte vinden of nestgelegenheid, want als je dat niet vindt … Ja wat moet je dan? … Dan moet je zo’n ongeschikte plaats gaan gebruiken.’ ‘Dat nest was op dat achterdekje en dan moeten de kleine pulletjes toch dat water in. Maar daarna komen ze met geen mogelijkheid meer uit dat water natuurlijk.’
Het gevolg van de ongeschikte broedplek is de onvermijdelijke verdrinkingsdood van het hele nestje.
‘Iedereen heeft een hekel aan meerkoeten. Ik zeg: dappere vogels. Ze verweren zich tegen grote meeuwen en zelfs tegen mensen … moedige dieren. En ze hebben alles over voor de kleintjes. Ja dat was verschrikkelijk joh. Vooral toen ze na dat drama weer een nieuw nest begonnen op diezelfde plaats. En het liep ook weer hetzelfde af.’

Fris beekje
Elke dag stapt Rosenboom het huis aan de Oudezijds Voorburgwal uit en verbaast hij zich over de richels in de kademuren en gespannen witte waslijnen waaraan drenkelingen zich kunnen vasthouden. ’Het zegt iets over de frequentie waarmee beschonken dan wel gedrogeerde toeristen, al dan niet plassend in de gracht, in deze buurt te water raken …’, schrijft hij.
Zijn wandeling gaat in de meest directe lijn naar de Prins Hendrikkade, over de rafelige Wallen: ‘coffeeshops, smartshops en seksshops rijgen zich nu aaneen, net als de plakkaten braaksel op de grond en de salvo’s gebrul en hinnikend gelach in de lucht. Hoewel van nature geneigd tot angst voel ik mij in deze licht liederlijke omgeving vreemd genoeg volkomen veilig, veel veiliger dan in andere buurten waar ik gewoond heb.’
Hij ziet toeristen niet als een probleem, maar als genietend volk: ‘Het publiek hier ververst zich constant en zo heeft deze buurt in zekere zin de frisheid van een stromend beekje’.
Dat is een beeldspraak die menig buurtbewoner en stadsbestuurder toch als verfrissend in de oren moet klinken.

Slechtvalken
De wandeling gaat, terwijl hij oplet om maar niet in een plak braaksel, poep of weggegooide noedels te trappen, langs de Oude Kerk en café Emmelot, waar de zwarte kunsthavik op het dak een storm niet heeft overleefd. De stad uit. Naar het IJ, met de rug naar de stad. ‘Op mijn wandeling heb ik maar een doel: het open water achter het Centraal Station.’ Rosenboom is een stadsbewoner die naar de grote open ruimte snakt. En daar zijn rust vindt. ‘Vroeger heb ik veel gezeild, dus ik kijk graag naar boten’, zegt hij.
Rosenboom is vogelaar, hoewel hij dat direct relativeert. ‘Ik ben altijd wel op zoek naar vogels. Maar ik ken ze alleen uit de vogelgids. Ik zie ze bijna nooit. Maar hier …’ – en hij wijst op de boom voor het huis – ‘hier zie je af en toe een boomkruiper. Je zit hier ook op de juiste hoogte.’
Vogels komen in zijn jongste boekje uitbundig voor. Rosenboom ziet ze overal in de stad. Of misschien kun je het beter omschrijven als ‘hij weet dat ze overal te zien moeten zijn’. Want hoewel hij al vierentwintig jaar zijn ronde loopt, heeft hij de vogels die hem door verschillende krantenberichten worden beloofd nog nooit gezien.
‘Op de Shelltoren schijnt een koppel slechtvalken te zitten. Ik kom daar al twintig jaar langs … nooit gezien. Er schijnt er nu ook een te pendelen tussen de Westertoren en een van de torens van het Rijksmuseum. En ook een in de toren van de Posthoornkerk. Ik kom daar dagelijks langs. Ik kijk altijd. Heel vaak ga ik daarvoor op een bankje of een stoeprand zitten om toch een poosje te blijven kijken. Hetzelfde heb ik met de sperwer.’ Toch geeft de gedachte dat ze er moeten zijn hem rust.

Lage zadels
Het doel, het IJ, is nu bereikt. Nu rest er niets meer dan rustig terug naar huis te wandelen, echter via de vaste route die hem langs de Prinsengracht de hele binnenstad rond leidt. In een magistrale zin beschrijft Rosenboom de verandering van sfeer zodra hij de Prinsengracht begint te volgen: ‘… hier, nog helemaal aan het begin, ben ik weer terug in het centrum, al is deze buurt wel iets anders dan de Wallenbuurt van vertrek: hier zijn geen coffeeshops of seksshops meer, de toeristen, nog wel in groten getale aanwezig, slenteren minder op straat en rijden vaker in groepen op huurfietsen, de zadels goed laag om makkelijk met de voeten bij de grond te kunnen, wat hen een enigszins kinderlijk aanzien geeft, en boven het water zijn nergens nog richels of waslijnen voor drenkelingen te zien.’

Rederijtje
Menselijke gedragingen die bij veel Amsterdammers ergernis wekken beziet Rosenboom vaak met een liefdevolle blik: de Smokeboat die een steiger annexeert, rondfietsende toeristen. Zijn ogen beginnen te glimmen als hij denkt aan een illegale rondvaarder op de Amstel. ‘Ha ja! Die brutaliteit. Ik ben het tegendeel van brutaal. Ik zou wel wat meer brutaliteit in mijn karakter willen hebben. Het is een soort jaloezie naar het onbeschaamde. Maar het is natuurlijk ook wel oneerlijke concurrentie. Dat snap ik ook wel.’
‘En die Smokeboat’, zegt hij, terwijl hij opstaat en naar de steiger van The Grand wijst, ‘ … ja … het is een beetje mijn rederijtje. Ik denk: ze hebben er maar twee – de Andante en de Buggy. Dan staan er stewards op die steiger een beetje te folderen. En dan ook als het lelijk weer is. Dat is dan zo zielig om te zien. De bevoorrading ging eerst vanuit een kajuitbootje. Mensen hier in de buurt schijnen zich daar druk om gemaakt te hebben. Maar ik zie die mensen gewoon bezig en iets verdienen.’

Vuilniszakken
‘Ik kan zelf heel moeilijk overlast van anderen verdragen. Dus muziek of zo.
Een huilende baby, daar zul je mij niet over horen klagen. Of over noodzakelijke geluiden zoals de tram of een vliegtuig, dan denk ik: ja dat is de economie. Of een echtpaar dat ruzie maakt. Dan denk ik: dat heb ik ook wel ‘s.Maar die onnodige geluiden. Van die hele harde muziek. Dan denk ik: je kan toch ook een koptelefoon opzetten?
En ik stoor me aan vuil op straat. Ik zet mijn vuilniszak om half acht buiten, anders pikken de meeuwen ‘m aan flarden. Maar er zijn ook mensen die doen dat gewoon twee dagen van tevoren. Dan hebben we wel de neiging om alle schuld van de vervuiling bij de toerist neer te leggen, maar het zijn niet de toeristen die overal zomaar matrassen neerflikkeren. Of die vuilniszakken die door de meeuwen worden opengepikt … dat zijn de bewoners zelf.
Ik loop er dan langs en dan denk ik: hoe kom je erbij om je eigen buurt zo te vervuilen? Daar probeer ik dan soms op mijn eigen bange burgerlijke manier iets van te zeggen. Ik ben dan echt in staat om daar zo naar te kijken en dan is Blandine, mijn vrouw, erbij, en dan zeg ik heel hardop: moet je nou toch ’s kijken … toeristen doen dat niet, dat doen de mensen zelf. En dan ga ik zo ’s beschuldigend staan kijken en ja in je onmacht loop je dan maar weer door haha!
En dan in de hoop dat er ergens iemand is die dat hoort en zich dan toch een beetje zal generen. Althans dat hoop je dan.’

Na acht kilometer slaat hij, verbaasd dat hij er alweer is, vanuit de Langebrugsteeg linksaf de hoek weer om, zijn Oudezijds Voorburgwal op – ‘onmiskenbaar alleen al door de waslijnen die voor al dan niet benevelde drenkelingen vlak boven het water aan de kademuur zijn bevestigd’ – en komt hij aan bij het vertrekpunt dat nu eindpunt is geworden.
Morgen opnieuw.

TEKST: BERT NAP
FOTO: RENÉ LOUMAN

 

Geen reactie

U kunt geen reactie achterlaten

VOLG ONS OP